Lisinopril EG Tabl 56X5Mg
Op voorschrift
Geneesmiddel

Lisinopril EG Tabl 56X5Mg

  € 8,67

information-circle Terugbetaalbaar

Als je recht hebt op een terugbetaling voor dit geneesmiddel, betaal je in de apotheek een verlaagde prijs en niet de prijs die op onze webshop vermeld staat.

Terugbetalingstarief

€ 2,00 (6% inclusief btw)

Verhoogde tegemoetkoming

€ 1,00 (6% inclusief btw)

Belangrijke informatie

Voor dit geneesmiddel is een voorschrift nodig. Na beoordeling door de apotheker kan je het komen afhalen en betalen in de apotheek.

Maximum toegelaten hoeveelheid in winkelwagen bereikt

  € 8,67
Op voorraad

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik Symptomatische hypotensie Symptomatische hypotensie is zelden bij patiënten met ongecompliceerde hypertensie waargenomen. Bij hypertensiepatiënten die lisinopril krijgen, doet hypotensie zich waarschijnlijk eerder voor als de patiënt een volumedepletie heeft, bijvoorbeeld door een diuretische behandeling, een zoutarm dieet, dialyse, diarree of braken of als er sprake is van ernstige renine�afhankelijke hypertensie (zie rubriek 4.5 en rubriek 4.8). Bij patiënten met hartfalen, al dan niet met nierinsufficiëntie, is symptomatische hypotensie waargenomen. De kans hierop is groter bij patiënten met een ernstigere vorm van hartfalen zoals blijkt uit het gebruik van hoge doses lisdiuretica, hyponatriëmie of een verslechterde nierfunctie. Patiënten met een verhoogd risico op symptomatische hypotensie dienen bij de start van de behandeling en bij een dosisaanpassing nauwlettend te worden gecontroleerd. Soortgelijke overwegingen gelden voor patiënten met een ischemische hartziekte of een cerebrovasculaire aandoening bij wie een excessieve bloeddrukdaling kan leiden tot een myocardinfarct of cerebrovasculair accident. Indien hypotensie optreedt, dient de patiënt op zijn rug te worden neergelegd en indien nodig dient een intraveneus infuus met fysiologisch zout te worden gegeven. Een voorbijgaande bloeddrukdaling is geen contra-indicatie voor verdere doses, deze kunnen meestal zonder problemen worden gegeven zodra de bloeddruk is gestegen na volumevergroting. Bij sommige patiënten met hartfalen die een normale of lage bloeddruk hebben, kan een verdere verlaging van de systemische bloeddruk met lisinopril worden voorkomen. Dit effect is te verwachten en vormt gewoonlijk geen reden om de behandeling te staken. Als de hypotensie symptomatisch wordt, kan een verlaging van de dosering of staken van lisinopril noodzakelijk zijn. Hypotensie bij acuut myocardinfarct Behandeling met lisinopril dient niet te worden gestart bij patiënten met een acuut myocardinfarct die het risico lopen van verdere ernstige hemodynamische verslechtering na behandeling met een vasodilatator. Dit zijn patiënten met een systolische bloeddruk van 100 mm Hg of lager of diegenen met een cardiogene shock. Gedurende de eerste drie dagen na het infarct dient de dosering te worden verlaagd als de systolische bloeddruk 120 mm Hg of lager is. Onderhoudsdoseringen dienen te worden verlaagd naar 5 mg of tijdelijk naar 2,5 mg, als de systolische bloeddruk 100 mm Hg of lager is. Als hypotensie aanhoudt (systolische bloeddruk lager dan 90 mm Hg gedurende meer dan 1 uur) dan dient lisinopril te worden gestaakt. Aorta- en mitralis hartklep stenose/hypertrofische cardiomyopathie Evenals met andere ACE-remmers dient lisinopril met voorzichtigheid te worden gegeven aan patiënten met mitralishartklepstenose en obstructie van de uitstroom van de linkerboezem zoals aortastenose of hypertrofische cardiomyopathie. Nierfunctiestoornissen In gevallen van een verslechtering van de nierfunctie (creatinineklaring <80 ml/min), dient de initiële dosering lisinopril te worden aangepast aan de creatinineklaring van de patiënt (zie tabel 1 in rubriek 4.2) en dan aan de reactie van de patiënt op de behandeling. Regelmatige controle van kalium en creatinine is bij deze patiënten onderdeel van de normale medische praktijk. Bij patiënten met hartfalen kan hypotensie na de start van de behandeling met ACE-remmers leiden tot verdere verslechtering van de nierfunctie. Acuut nierfalen, gewoonlijk reversibel, is in deze situatie gemeld. Bij sommige patiënten met een bilaterale renale arteriestenose of een stenose van de arterie naar een enkele nier, die behandeld zijn met ACE-remmers is een toename van het ureum in het bloed en de serumcreatinine, normaliter reversibel na stoppen van de therapie, waargenomen. Dit is vooral mogelijk bij patiënten met nierinsufficiëntie. Indien ook renovasculaire hypertensie optreedt, is er een verhoogd risico van ernstige hypotensie en nierinsufficiëntie. Bij deze patiënten dient de behandeling te worden gestart onder nauwlettende medische controle met lage doseringen en nauwgezette dosistitratie. Aangezien behandeling met diuretica een bijdragende factor kan zijn tot het bovenvermelde, moeten deze worden gestopt en de nierfunctie worden gecontroleerd gedurende de eerste weken van de lisinopril behandeling. Sommige hypertensieve patiënten die géén duidelijke preëxistente renale vasculaire ziekte hadden, ontwikkelden een toename van ureum in het bloed en serumcreatinine, gewoonlijk miniem en van voorbijgaande aard, met name wanneer lisinopril gelijktijdig met een diureticum werd gegeven. Het is meer waarschijnlijk dat dit gebeurt bij patiënten met een preëxistente renale verslechtering. Een vermindering van de dosering en/of onderbreking van het diureticum en/of lisinopril kan nodig zijn. Bij een acuut myocardinfarct dient bij patiënten met aanwijzingen van verslechterde nierfunctie, gedefinieerd als serumcreatinineconcentratie hoger dan 177 micromol/l en/of proteïnurie hoger dan 500 mg/24 uur, de behandeling met lisinopril niet te worden gestart. Als zich tijdens de behandeling met lisinopril een verslechtering van de nier ontwikkelt (serumcreatinineconcentratie hoger dan 265 micromol/l of een verdubbeling van de waarde van vóór de behandeling) dan dient de arts te overwegen de behandeling met lisinopril te staken. Overgevoeligheid/Angio-oedeem Bij patiënten behandeld met ACE-remmers zoals lisinopril zijn angio-oedeem van het gezicht, extremiteiten, lippen, tong, glottis en/of strottenhoofd zelden gerapporteerd. Dit kan op elk moment gedurende de behandeling optreden. In dergelijke gevallen dient lisinopril direct te worden gestaakt en dient er een passende behandeling en controle te worden ingesteld om een complete verdwijning van de symptomen te verzekeren alvorens een patiënt te ontslaan. Zelfs in die gevallen waarbij alleen een zwelling van de tong is opgetreden, zonder ademhalingsproblemen, kunnen patiënten een langdurige observatie nodig hebben aangezien de behandeling met antihistamines en corticosteroïden mogelijk niet voldoende is. Zeer zelden zijn doden gerapporteerd als gevolg van angio-oedeem, dat in verband met angio�oedeem van de larynx of tong werd gebracht. Patiënten bij wie de tong, glottis of larynx betrokken zijn, ervaren waarschijnlijk een obstructie van de luchtwegen met name diegenen die een luchtwegoperatie hebben ondergaan. In zulke gevallen dient direct een spoedtherapie gestart te worden. Dit kan zijn de toediening van adrenaline en/of het handhaven van een vrije luchtweg. De patiënt dient onder strikt medisch toezicht te staan, totdat complete en aanhoudende verdwijning van de symptomen optreed. ACE-remmers veroorzaken vaker angio-oedeem bij negroïde patiënten dan bij niet-negroïde patiënten. Patiënten met een voorgeschiedenis van angio-oedeem dat niet gerelateerd is aan de behandeling met een ACE-remmer, kunnen een verhoogd risico van angio-oedeem hebben wanneer zij een ACE-remmer krijgen (zie rubriek 4.3). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en sacubitril/valsartan is gecontra-indiceerd vanwege een verhoogd risico op angio-oedeem. Behandeling met sacubitril/valsartan mag niet eerder dan 36 uur na de laatste dosis lisinopril worden gestart. Behandeling met lisinopril mag niet eerder dan 36 uur na de laatste dosis sacubitril/valsartan worden gestart (zie rubriek 4.3 en 4.5). Gelijktijdig gebruik van ACE-remmers en racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) of vildagliptine kan een verhoogd risico geven op angio-oedeem (bijv. zwelling van de luchtwegen of de tong, met of zonder ademhalingsproblemen) (zie rubriek 4.5). Voorzichtigheid is geboden bij het starten van een behandeling met racecadotril, mTOR-remmers (bijv. sirolimus, everolimus, temsirolimus) of vildagliptine bij een patiënt die een ACE-remmer gebruikt. Anafylactische reacties bij hemodialysepatiënten Bij patiënten die met 'high flux' membranen (bijv. AN 69) werden gedialyseerd en gelijktijdig met een ACE-remmer werden behandeld, zijn anafylactische reacties gerapporteerd. Bij deze patiënten dient te worden overwogen om een ander type dialysemembraan of een andere klasse van antihypertensiva te gebruiken. Anafylactische reacties gedurende laag-dichtheid lipoproteinen (LDL) aferese Zelden hebben patiënten die ACE-remmers kregen gedurende low-density-lipoproteins (LDL) aferese met dextransulfaat, levensbedreigende anafylactische reacties ervaren. Deze reacties werden vermeden door tijdelijk de behandeling met ACE-remmers voor elke aferese te staken. Desensibilisatie Patiënten die met ACE-remmers behandeld werden gedurende een desensibilisatiebehandeling (bijvoorbeeld Hymenoptera gif) doorstonden anafylactische reacties. Bij dezelfde patiënten werden deze reacties vermeden wanneer de ACE-remmers tijdelijk werden gestaakt, maar zij kwamen terug bij onopzettelijke, hernieuwde toediening van het geneesmiddel. Leverinsufficiëntie Zeer zelden werden ACE-remmers geassocieerd met een syndroom dat begint met cholestatische geelzucht en zich ontwikkelt tot een snel uitbreidende necrose en (soms) overlijden. Het mechanisme van dit syndroom is niet bekend. Patiënten die met lisinopril worden behandeld en die geelzucht of een duidelijke verhoging van de leverenzymen ontwikkelen, dienen de behandeling met lisinopril te beëindigen en geschikte medische nazorg te krijgen. Neutropenie/agranulocytose Bij patiënten die met ACE-remmers behandeld werden, zijn neutropenie/agranulocytose, trombocytopenie en anemie gerapporteerd. Bij patiënten met een normale nierfunctie en geen andere complicaties treedt zelden neutropenie op. Neutropenie en agranulocytose zijn reversibel na staken van de ACE-remmer. Lisinopril dient met uiterste voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met een collageen vasculaire ziekte, immunosuppressieve behandeling, behandeling met allopurinol of procaïnamide, of een combinatie van deze complicerende factoren, met name wanneer er sprake is van een vooraf bestaande verslechterde nierfunctie. Sommige van deze patiënten ontwikkelden ernstige infecties die in sommige gevallen niet op een intensieve antibioticabehandeling reageerde. Als lisinopril bij deze patiënten wordt gebruikt, wordt geadviseerd periodiek het aantal witte bloedcellen te controleren en dienen de patiënten te worden geïnformeerd elk teken van een infectie te melden. Ras ACE-remmers veroorzaken vaker angio-oedeem bij negroïde patiënten dan bij niet-negroïde patiënten. Zoals andere ACE-remmers kan lisinopril minder effectief zijn in het verlagen van de bloeddruk bij negroïde patiënten dan bij niet-negroïde patiënten, mogelijk door een hogere aanwezigheid van lage-renine status in de negroïde hypertensieve bevolking. Hoest Als gevolg van het gebruik van ACE-remmers is hoest gerapporteerd. Kenmerkend is dat de hoest niet-productief is, aanhoudt en verdwijnt na staken van de behandeling. Er dient rekening gehouden te worden met hoest veroorzaakt door een ACE-remmer, als onderdeel van de differentiële diagnose van hoest. Operatie/narcose Bij patiënten die een belangrijke operatie ondergaan of bij patiënten onder anesthesie met middelen die hypotensie veroorzaken, kan lisinopril de vorming van angiotensine II na een compensatoire renine-secretie blokkeren. Als hypotensie optreedt en deze aan dit mechanisme wordt toegeschreven, kan ze door volumevergroting worden gecorrigeerd. Serumkalium ACE-remmers kunnen hyperkaliëmie veroorzaken door onderdrukking van de vrijgifte van aldosteron. Bij patiënten met een normale nierfunctie is het effect doorgaans niet significant. Hyperkaliëmie kan echter voorkomen bij patiënten met een verminderde nierfunctie, en/of bij patiënten die kaliumsupplementen (waaronder zoutvervangers), kaliumsparende diuretica, trimethoprim of co-trimoxazol (ook bekend als trimethoprim/sulfamethoxazol) of, in het bijzonder, aldosteronantagonisten of angiotensinereceptorblokkers gebruiken. Kaliumsparende diuretica en angiotensinereceptorblokkers dienen met voorzichtigheid toegepast te worden bij patiënten die ACE-remmers gebruiken, waarbij de serumkaliumspiegels en de nierfunctie gemonitord moeten worden (zie rubriek 4.5). Diabetespatiënten Bij diabetespatiënten die behandeld werden met orale antidiabetica of insuline, dient een nauwkeurige glykemiecontrole te worden uitgevoerd gedurende de eerste maand van de behandeling met een ACE-remmer (zie rubriek 4.5). Lithium De combinatie van lithium en lisinopril wordt in het algemeen niet aanbevolen (zie rubriek 4.5). Zwangerschap Tijdens de zwangerschap mag niet gestart worden met een behandeling met ACE-inhibitoren. Patiënten die zwanger willen worden, dienen over te schakelen op een alternatieve antihypertensieve behandeling waarvan de veiligheid voor gebruik tijdens de zwangerschap werd aangetoond, tenzij een onafgebroken behandeling met ACE-inhibitoren als absoluut noodzakelijk wordt beschouwd. Wanneer zwangerschap wordt vastgesteld, dient de behandeling met ACE�inhibitoren onmiddellijk te worden gestopt, en, indien aangewezen, met een alternatieve behandeling te worden gestart (zie rubriek 4.3 en 4.6). Dubbele blokkade van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS) Er is bewijs dat bij gelijktijdig gebruik van ACE-remmers, angiotensine II-receptorantagonisten of aliskiren het risico op hypotensie, hyperkaliëmie en een verminderde nierfunctie (inclusief acuut nierfalen) toeneemt. Dubbele blokkade van RAAS door het gecombineerde gebruik van ACE-remmers, angiotensine II-receptorantagonisten of aliskiren wordt daarom niet aanbevolen (zie rubrieken 4.5 en 5.1). Als behandeling met dubbele blokkade absoluut noodzakelijk wordt geacht, mag dit alleen onder supervisie van een specialist plaatsvinden en moeten de nierfunctie, elektrolyten en bloeddruk regelmatig worden gecontroleerd. ACE-remmers en angiotensine II-receptorantagonisten dienen niet gelijktijdig te worden ingenomen door patiënten met diabetische nefropathie.

  • Hypertensi
  • Symptomatisch hartfalen
  • Acuut myocardinfarct bij hemodynamisch stabiele patiënten binnen 24 uur na een acuut myocardinfarct, als een kortdurende behandeling (6 weken)
  • Renale complicaties bij hypertensieve patiënten met type 2 diabetes mellitus en beginnende nefropathie

De werkzame stof in Lisinopril EG is:

  • lisinopril (als dihydraat).

1 tablet bevat 5 mg lisinopril.

De andere stoffen in Lisinopril EG zijn:

  • calciumwaterstoffosfaatdihydraat
  • watervrij colloïdaal silicium
  • magnesiumstearaat
  • maïszetmeel
  • mannitol
  • gepregelatiniseerd maïszetmeel

Gelijktijdig gebruik van geneesmiddelen waaronder injecteerbaar goud (bv. om reuma of gewrichtsaandoeningen te behandelen) en Lisinopril EG kan het risico op een zogenaamde nitritoïde reactie (verwijding van de bloedvaten) verhogen, met symptomen zoals roodheid van het gezicht, zich ziek voelen, duizeligheid en een bloeddrukdaling, die zeer ernstig kan zijn.

 Geneesmiddelen die meestal worden gebruikt om afstoting van getransplanteerde organen te voorkomen (sirolimus, everolimus en andere geneesmiddelen die behoren tot de klasse van mTOR-remmers). Zie de rubriek "Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met Lisinopril EG?"

Uw arts kan uw dosis aanpassen en/of andere voorzorgsmaatregelen nemen:

als u een angiotensine II-receptorantagonist (ARB) of aliskiren inneemt (zie ook de informatie in de rubriken "Wanneer mag u Lisinopril EG niet gebruiken?" en "Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met Lisinopril EG?")

4.8 Bijwerkingen De volgende bijwerkingen zijn waargenomen en gerapporteerd gedurende de behandeling met lisinopril en andere ACE-remmers met de volgende frequentie: zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100, <1/10), soms (≥1/1000, <1/100), zelden (1/10000, <1/1000), zeer zelden (<1/10000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Bloed- en lymfestelselaandoeningen zelden: hemoglobineverlagingen, hematocrietverlagingen zeer zelden: depressie van het beenmerg, anemie, trombocytopenie, leukopenie, neutropenie, agranulocytose (zie rubriek 4.4), hemolytische anemie, lymfadenopathie, auto-immuunziekten Voedings- en stofwisselingsstoornissen zeer zelden: hypoglykemie Zenuwstelselaandoeningen en psychische stoornissen vaak: duizeligheid, hoofdpijn soms: stemmingswisselingen, paresthesie, vertigo, smaakstoornissen, slaapstoornissen zelden: geestelijke verwardheid niet bekend: symptomen van depressie, syncope Hart- en bloedvataandoeningen vaak: orthostatische effecten (inclusief hypotensie) soms: myocardinfarct of CVA, mogelijk het gevolg van buitensporige hypotensie bij patiënten met een hoog risico (zie rubriek 4.4), palpitaties, tachycardie, Raynaud-fenomeen Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen vaak: hoest soms: rhinitis zeer zelden: bronchospasmen, sinusitis, allergische alveolitis/eosinofiele pneumonie. Maagdarmstelselaandoeningen vaak: diarree, overgeven soms: misselijkheid, buikpijn en indigestie zelden: droge mond zeer zelden: pancreatitis, intestinaal angio-oedeem, hepatitis - zowel hepatocellulair als cholestatisch, geelzucht en leverfalen (zie rubriek 4.4) Huid- en onderhuidaandoeningen soms: rash, pruritus, overgevoeligheid/angioneurotisch oedeem: angioneurotisch oedeem van het gezicht, extremiteiten, lippen, tong, glottis en/of strottenhoofd (zie rubriek 4.4) zelden: netelroos, alopecie, psoriasis zeer zelden: zweten, pemphigus, toxische epidermale necrolyse, syndroom van Stevens-Johnson, erythema multiforme, cutaan pseudolymfoom niet bekend:Een symptoomcomplex is gemeld, dat uit één of meer van de volgende bijwerkingen kan bestaan: koorts, vasculitis, myalgie, artralgie/artritis, een positief antinucleair antilichaam (ANA), verhoogde rode bloedcelsedimentatie-snelheid (ESR), eosinofilie en leukocytose, rash, fotosensitiviteit of andere dermatologische reacties kunnen voorkomen. Nier- en urinewegaandoeningen vaak: nierfunctiestoornissen zelden: uremie, acuut nierfalen zeer zelden: oligurie/anurie Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen soms: impotentie zelden: gynaecomastie Endocriene aandoeningen zelden: syndroom van inadequate antidiuretische hormoonsecretie (SIADH) Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen soms: moeheid, asthenie Onderzoeken soms: verhogingen van bloedureum, serumcreatinine, leverenzymen, hyperkaliëmie zelden: verhogingen van serumbilirubine, hyponatriëmie

Wanneer mag u Lisinopril EG niet innemen?

 U bent allergisch voor lisinopril, voor een ander geneesmiddel uit dezelfde geneesmiddelengroep als lisinopril (ACE-remmers), of voor een van de andere stoffen die in Lisinopril EG zitten. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.

 als u eerder een allergische reactie op lisinopril of op vergelijkbare geneesmiddelen (ACE- remmers) heeft gehad met symptomen zoals jeuk, netelroos, piepende ademhaling of zwelling van de handen, keel, mond of oogleden.

 als u of iemand van uw familie allergische reacties heeft gehad die aanleiding gaven tot moeilijkheden om te ademen of te slikken, zwelling van de handen, voeten of enkels, het gezicht, de lippen, tong of keel (angio-oedeem) of als u in andere omstandigheden angio- oedeem heeft gehad.

 als u meer dan 3 maanden zwanger bent. (Het is ook beter Lisinopril EG te vermijden in het vroege stadium van de zwangerschap – zie rubriek over zwangerschap).

 U heeft diabetes of een nierfunctiestoornis en u wordt behandeld met een bloeddrukverlagend geneesmiddel dat aliskiren bevat.

 als u sacubitril/valsartan, een geneesmiddel dat wordt gebruikt voor de behandeling van een type langdurig (chronisch) hartfalen bij volwassenen, gebruikt of heeft gebruikt, omdat het risico op angio-oedeem (een snelle onderhuidse zwelling, op een plek zoals de keel) dan verhoogd is.

Zwangerschap Het gebruik van ACE-inhibitoren wordt niet aanbevolen tijdens het eerste trimester van de zwangerschap (zie rubriek 4.4). Het gebruik van ACE-inhibitoren is gecontra-indiceerd tijdens het tweede en derde trimester van de zwangerschap (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Er werd geen afdoend epidemiologisch bewijs geleverd betreffende het risico op teratogeniciteit na blootstelling aan ACE-inhibitoren tijdens het eerste trimester van de zwangerschap; een lichte toename van het risico kan echter niet worden uitgesloten. Patiënten die zwanger willen worden, dienen over te schakelen op een alternatieve antihypertensieve behandeling waarvan de veiligheid voor gebruik tijdens de zwangerschap werd aangetoond, tenzij een onafgebroken behandeling met een ACE-inhibitor als absoluut noodzakelijk wordt beschouwd. Wanneer zwangerschap wordt vastgesteld, dient de behandeling met ACE-inhibitoren onmiddellijk te worden gestopt, en, indien aangewezen, met een alternatieve behandeling te worden gestart. Bij de mens staat bekend dat blootstelling aan een ACE-inhibitor tijdens het tweede en derde trimester foetotoxiciteit (verminderde nierfunctie, oligohydramnion, vertraagde ossificatie van de schedel) en neonatale toxiciteit (nierfalen, hypotensie, hyperkaliëmie) induceert (zie rubriek 5.3). Indien blootstelling aan een ACE-inhibitor heeft plaatsgevonden vanaf het tweede trimester van de zwangerschap, is een echografie van de nierfunctie en schedel aanbevolen. Zuigelingen van wie de moeder ACE-inhibitoren heeft ingenomen, dienen van nabij te worden gevolgd voor hypotensie (zie rubrieken 4.3 en 4.4). Borstvoeding Aangezien geen informatie beschikbaar is over het gebruik van Lisinopril EG tijdens de borstvoeding, wordt Lisinopril EG niet aanbevolen en hebben alternatieve behandelingen met een beter aangetoond veiligheidsprofiel tijdens de borstvoeding de voorkeur, vooral bij het zogen van een nieuwgeboren of prematuur kind.

Hypertensie - Startdosis: 2,5 - 10 mg /dag - Onderhoudsdosering: gewoonlijk 20 mg /dag bij volwassenen - Max. 80 mg /dag - Kinderen 20 - 50 k - Startdosis: 2,5 mg /dag - Max. 20 mg /dag - Kinderen >= 50 k - Startdosis: 5 mg /dag - Max. 40 mg /dag Symptomatisch hartfalen - Startdosis: 2,5 mg /dag, onder medisch toezicht - Vervolgens, dosisverhogingen van max. 10 mg, met intervallen van min. 2 weken - Max. dosis: 35 mg /dag Acuut myocardinfarct - Systolische bloeddruk > 100 mm Hg: 5 mg, gevolgd door 5 mg na 24 uur, 10 mg na 48 uur en dan 10 mg 1 x /dag - Systolische bloeddruk < 120 mm Hg: starten met 2,5 mg - Systolische bloeddruk > 100 mm Hg: 10 mg /dag - Systolische bloeddruk <= 100 mm Hg: 2,5 - 5 mg /dag - Systolische bloeddruk < 90 mm Hg gedurende > 1 uur: stoppen Renale complicaties bij diabetes - Gewoonlijke dosis: 10 mg /dag - Max. dosis: 20 mg /dag Toedieningswijze - 1 x /dag op ongeveer hetzelfde tijdstip - Met of zonder voedsel

CNK 2341402
Organisaties Eurogenerics (EG) Generics & Consumer
Merken Eurogenerics (EG)
Breedte 51 mm
Lengte 126 mm
Diepte 30 mm
Hoeveelheid verpakking 56
Actieve ingrediënten lisinopril
Behoud Kamertemperatuur (15°C - 25°C)